Nieuwe flexwet vraagt om tijdige personeelsplanning

De Eerste Kamer heeft op 7 juli 2026 ingestemd met de Wet meer zekerheid flexwerkers. De wet moet mensen met een tijdelijk contract, oproepcontract of uitzendcontract meer zekerheid geven over hun inkomen, werktijden en arbeidsvoorwaarden. De meeste wijzigingen gaan op 1 januari 2028 in. Voor uitzendkrachten verandert een belangrijk deel al op 31 december 2026.

Tijdelijke en oproepcontracten veranderen

Na drie tijdelijke contracten mag een werkgever gedurende drie jaar niet opnieuw een tijdelijk contract met dezelfde werknemer sluiten. De huidige onderbrekingstermijn bedraagt zes maanden. Voor seizoenswerk, scholieren en studenten gelden uitzonderingen.

Nulurencontracten worden vervangen door bandbreedtecontracten. Daarin spreken werkgever en werknemer een minimum- en maximumaantal uren af. Het maximum mag hoogstens 30 procent boven het minimum liggen. Bij een minimum van tien uur kan het maximum dus dertien uur zijn. Werknemers mogen oproepen boven dat maximum weigeren. Wie structureel meer werkt, moet een aanbod voor een hoger aantal uren krijgen. Voor onder anderen scholieren, studenten en AOW-gerechtigden met een bijbaan blijven uitzonderingen bestaan.

Eerder gelijke voorwaarden voor uitzendkrachten

Uitzendkrachten krijgen vanaf 31 december 2026 recht op minimaal gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks bij de inlener in dienst zijn. Het gaat daarbij niet alleen om loon, toeslagen, werktijden en vakantiedagen, maar ook om andere voorwaarden, waaronder pensioen. Ook worden de meest onzekere fases van uitzendwerk verkort en krijgen uitzendkrachten bij ziekte recht op loondoorbetaling.

De wet laat flexibele contracten mogelijk voor daadwerkelijk tijdelijk werk, zoals vervanging bij ziekte of tijdelijke opdrachten. Het uitgangspunt is wel dat structureel werk zoveel mogelijk bij een structurele arbeidsrelatie hoort.

Aandachtspunten voor de OR

Hoewel de meeste veranderingen pas in 2028 ingaan, vraagt de eerdere ingangsdatum voor uitzendkrachten om voorbereiding. De OR kan de bestuurder vragen om inzicht in het aantal tijdelijke medewerkers, oproepkrachten en uitzendkrachten, hun contractvormen en de functies waarin zij structureel worden ingezet.

Bespreek daarnaast hoe de organisatie de personeelsplanning, contractadministratie, inhuurvoorwaarden en begroting daar op aanpast. Let vooral op afdelingen waar oproepkrachten structureel boven hun minimumuren werken of waar opeenvolgende tijdelijke contracten gebruikelijk zijn. Of een concrete wijziging onder het advies- of instemmingsrecht valt, hangt af van de inhoud en reikwijdte van het voorgenomen besluit.