Geen verplichting FNV tot financiering cassatie door ledenparlement
Binnen de FNV speelde een geschil tussen het (voormalige) ledenparlement en het interim-bestuur over de vraag of de organisatie verplicht is een cassatieprocedure te financieren. De Ondernemingskamer heeft zich uitgesproken over de reikwijdte van onmiddellijke voorzieningen en de positie van interne organen binnen een rechtspersoon.
Verzoek van het ledenparlement en verweer van het interim-bestuur
Het ledenparlement verzocht de Ondernemingskamer om een onmiddellijke voorziening die het interim-bestuur van de FNV zou verplichten om financiële middelen beschikbaar te stellen voor het inwinnen van cassatieadvies en het instellen van cassatieberoep tegen een eerdere beschikking.
Het interim-bestuur van de FNV verzette zich tegen dit verzoek. Het stelde dat er geen verplichting bestaat om deze kosten te dragen en dat het, na afweging van verschillende belangen, niet in het belang van de organisatie is om een cassatieprocedure te faciliteren. Daarbij werden onder meer kosten, interne onrust en de behoefte aan stabiliteit meegewogen.
Grenzen aan onmiddellijke voorzieningen
De Ondernemingskamer stelt voorop dat zij op grond van artikel 2:349a lid 2 BW alleen onmiddellijke voorzieningen kan treffen als deze noodzakelijk zijn voor de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek.
In dit geval ontbrak die noodzaak. Het verzoek van het ledenparlement was gericht op financiering van een procedure en niet op het herstellen of stabiliseren van de governance of de organisatie. Daarmee viel het buiten het toepassingsbereik van de onmiddellijke voorzieningen in de enquêteprocedure.
Geen recht op financiering door de FNV
De Ondernemingskamer oordeelt dat er geen wettelijke of statutaire grondslag bestaat die de FNV verplicht om het ledenparlement financieel te ondersteunen bij het instellen van cassatieberoep.
Het ledenparlement staat het vrij om cassatieberoep in te stellen. Dat brengt echter niet met zich dat de kosten daarvan door de rechtspersoon moeten worden gedragen. Het ontbreken van een expliciete verplichting is daarbij doorslaggevend.
Beoordelingsruimte van het interim-bestuur
De beslissing om al dan niet financiering beschikbaar te stellen ligt bij het interim-bestuur van de FNV. Het bestuur heeft daarbij een belangenafweging gemaakt waarin onder meer kosten, reputatie, interne verhoudingen en de wens tot beëindiging van onzekerheid een rol speelden.
De Ondernemingskamer toetst deze afweging terughoudend en oordeelt dat deze niet kennelijk onjuist is en niet in strijd met de zorgvuldigheid van artikel 2:8 BW. Daarmee wordt bevestigd dat het bestuur binnen zekere grenzen beleidsruimte heeft om dergelijke keuzes te maken.
Rol van de ondernemingsraad
De ondernemingsraad van de FNV trad in deze procedure op als belanghebbende en schaarde zich achter het standpunt van het interim-bestuur. De OR benadrukte het belang van rust en het beëindigen van de interne onrust die met verdere procedures gepaard zou gaan.
Afbakening van de rechtsvraag
De Ondernemingskamer benadrukt dat zij zich niet uitlaat over de vraag of het ledenparlement cassatieberoep kan instellen of wat de kans van slagen daarvan is. Deze beoordeling is voorbehouden aan de Hoge Raad.
De uitspraak beperkt zich tot de vraag of het interim-bestuur van de FNV verplicht kan worden om het ledenparlement financieel te ondersteunen. Dat is niet het geval.
- De volledige uitspraak van de Ondernemingskamer is hier te lezen: Lees hier.
- Vragen over governance en de rolverdeling tussen organen binnen een organisatie? Neem contact op.
- Juridische vragen over enquêteprocedures of bevoegdheden van bestuur en interne organen? Neem contact op.
