Instemming OR nodig voor besluiten over pensioenen voor oud-medewerkers?
Bij de kantonrechter wordt door de OR de vraag voorgelegd of de OR instemmingsrecht toekomt op het wijzigen van een pensioenregeling. Die geldt ook voor de oud-medewerkers van de onderneming.
Wat eraan vooraf ging
De onderneming heeft tot 2017 een middelloonregeling bij een pensioenverzekeraar. In 2017 is de OR om instemming verzocht om over te gaan tot een pensioenregeling met een stijgende premiestaffel. Jaarlijks zou 1,8% van de pensioengrondslag in een indexatiedepot worden gestort. De onderneming is daarmee akkoord gegaan. Gevolg daarvan was dat het beschikbare bedrag voor indexatie voor werknemer die voor 2017 inactief zijn geworden, niet meer gevuld zou worden anders dan met eventueel beschikbare overrente. De OR stemt dan ook onder voorwaarde in dat er een tweede depot wordt ingesteld, zodat de indexatie voor de oud-medewerkers daarmee gefinancierd kan worden. De ondernemer heeft bezwaar gemaakt tegen deze voorwaarde. Na reactie van de OR is de ondernemer daar niet meer op teruggekomen.
In 2021 heeft de OR, opnieuw onder voorwaarden, ingestemd met de pensioenregeling vanaf 2022 met als voorwaarde dat er een garantie voor indexatie gerealiseerd moet worden.
Op 6-11-2023 meldt de pensioenverzekeraar aan de oud-medewerkers dat de indexatiepot leeg is en de regeling verhoging pensioen per 1 april 2023 is beëindigd.
Op 5-12-2023 roept de OR per e-mail nietigheid in voor het eenzijdige besluit om de indexatie van oud-medewerkers te beëindigen. In het overleg tussen OR en bestuurder is hiervoor geen oplossing tot stand gekomen.
De OR verzoekt de kantonrechter onder meer voor recht te verklaren:
- dat het besluit van de ondernemer nietig is;
- dat de ondernemer in strijd met artikel 27 WOR de (wijziging van de) indexatie voor oud-medewerkers niet ter instemming heeft voorgelegd aan de OR;
- dat de ondernemer de met de OR gemaakte afspraken tot overleg over een duurzaam en toekomstbestendig indexatiebeleid van alle oud-medewerkers niet is nagekomen en;
- dat de ondernemer gehouden is middelen beschikbaar te stellen voor een duurzaam en toekomstbestendig indexatiebeleid ten aanzien van huidige medewerkers en toekomstige oud-medewerkers.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter oordeelt als eerste of er sprake is van instemmingsplichtig besluit? In 2017 is de pensioenregeling, met instemming van de OR, gewijzigd van een middelloonregeling naar een premieregeling (met stijgende staffel). Op uitdrukkelijk verzoek van de OR is daarbij afgesproken dat de 1,8% die beschikbaar zou komen voor indexatie, in een nieuw depot zou worden gestort, depot B. Dat depot zou pas gebruikt worden als depot A leeg zou zijn, en enkel beschikbaar zijn voor vanaf 2017 beschikbaar zou zijn voor de oud-medewerkers. Zowel ondernemer als OR waren zich er ten tijde van het maken van deze afspraak van bewust dat depot A, beschikbaar voor indexatie voor álle oud-medewerkers, met een jaar of vijf zou leeg raken. Er is ook sprake van een voorwaardelijke indexatie, namelijk dat voor indexatie beschikbaar geld in het depot (A) zou zitten. Dat depot A inmiddels leeg is, daar zijn beide partijen het over eens. Het niet meer kunnen indexeren van de pensioenen van de oud-medewerkers van voor 2017 is een direct gevolg van het leegraken van depot A, en de keuze van de OR om in 2017 een nieuw depot op te richten dat enkel beschikbaar is voor de oud-medewerkers vanaf 2017. Daardoor is de beschikbare indexatie niet in depot A gestort. Dat er vanaf 1 april 2023 niet meer geïndexeerd kan worden kan dan ook niet gezien worden als een door de ondernemer genomen besluit. Dit betekent vervolgens dat er geen sprake is van een in november 2023 door de ondernemer genomen besluit om de indexatie voor de oud-medewerkers van voor 2017 te beëindigen.
Lege indexatiepot is geen besluit
De kantonrechter stelt vast dat die beëindiging voortvloeit simpelweg uit het niet meer aanwezig zijn van geld voor indexatie in depot A. Dat heeft voor de OR tot gevolg dat de verklaringen voor recht onder a. en b. worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een besluit tot wijziging of beëindiging van de pensioenregeling (welk besluit wel instemmingsplichtig zou zijn op grond van artikel 27 lid 1 WOR). Het feit dat geld in het depot ‘op’ is wordt niet gezien als een besluit van de ondernemer.
Duurzaam en toekomstbestendig pensioen
De kantonrechter stelt vast dat de ondernemer bereid is tot overleg over een duurzaam en toekomstbestendig pensioen (ook voor de oud-medewerkers van voor 2017) en dat overleg dan ook toezegt. De verplichting om in dat overleg aan de eisen van de OR tegemoet te komen is niet toewijsbaar, omdat de rechter de ondernemer niet kan verplichten de middelen daarvoor ter beschikking te stellen.
Een duurzame pensioenregeling kan alleen tot stand komen als er door de ondernemer voor wordt betaald.
Commentaar
Instemmen onder voorwaarden is volgens de WOR niet mogelijk. Artikel 27 kent maar twee mogelijkheden voor de OR: er wordt wél of nìet ingestemd. Toch komt het onder voorwaarden instemmen in de praktijk met regelmaat voor. Van belang is dat de OR dan kraakhelder formuleert dat de instemming niet van toepassing is als niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.
In deze casus is de OR in actie gekomen toen het geld in het depot op was. Als de OR in 2017 niet had ingestemd, dan had de ondernemer bij de kantonrechter vervangende toestemming moeten vragen. Mogelijk had de kantonrechter in dat geval een uitspraak gedaan ten gunste van de pensioenindexatie voor de oud-medewerkers.
- Zelf de uitspraak van de kantonrechter lezen? Klik hier
- Juridische ondersteuning nodig bij een adviesaanvraag? Stuur een e-mail
- Als OR aan de slag met een actuele adviesaanvraag? Stuur een e-mail
