Medezeggenschap bij reorganisatie verloopt niet goed
Reorganisaties in ondernemingen verlopen niet altijd even soepel. Dat heeft vooral te maken met de persoonlijke belangen van de medewerkers die daarbij betrokken zijn, maar ook de invloed en betrokkenheid van de OR in het reorganisatieproces laat wel eens te wensen over. In dit geval stapt de OR naar de Ondernemingskamer in Amsterdam, omdat het besluit over het laten vervallen van 12 arbeidsplaatsen niet op een juiste manier genomen is en hij daarover onvoldoende geïnformeerd is.
Wat eraan vooraf ging
In een internationaal opererende leverancier van bedrijfssoftware zijn in Nederland twee werkmaatschappijen actief. Ze hebben beiden dezelfde bestuurder en er is een gemeenschappelijke ondernemingsraad ingesteld.
Op 11-6-2024 is in de overlegvergadering de mogelijke inkrimping van een van de twee organisaties aan de orde gekomen. De bestuurder vertelt in dat overleg dat er volgens hem geen sprake is van vermindering van arbeidsplaatsen. Op 1-7-2024 is er met enkele medewerkers gesproken over het – met wederzijds goedvinden – beëindigen van de arbeidsovereenkomst via een vaststellingsovereenkomst. De OR heeft daarna aan de bestuurder laten weten dat hij advies wil uitbrengen over dit (voorgenomen) besluit. De noodzaak daartoe wordt versterkt door een mededeling op 3-7-2024 van de CEO van het internationale concern dat er wereldwijd 1200 functies komen te vervallen en er tegelijkertijd ook 800 nieuwe functies ontstaan. Op 17-7-2024 is afgesproken om de beëindigingsgesprekken te pauzeren en op 19-7-2024 heeft de OR een adviesaanvraag ontvangen met daarin het voorgenomen besluit om 12 arbeidsplaatsen te laten vervallen. De OR stelt op 26-7-2024 schriftelijke vragen over het voorgenomen besluit die vervolgens op 6-8-2024 tijdens een overlegvergadering worden beantwoord. Op 8-8-2024 heeft de bestuurder een aanvullende reactie naar de OR gestuurd. Na een tweede overlegvergadering op 16-8-2024 heeft de OR op 2-9-2024 negatief geadviseerd over het voorgenomen besluit.
De bestuurder meldt op 16-9-2024 aan de OR verder in gesprek te willen over het negatieve advies van de OR. In de overlegvergadering van 2-10-2024 is aanvullende informatie met de ondernemingsraad besproken over de financiële en bedrijfseconomische redenen van de voorgenomen inkrimping. De OR houdt vast aan het negatieve advies en laat dat op 4-10-2024 aan de bestuurder weten. De bestuurder heeft op 7-10-2024 in afwijking van het advies van de ondernemingsraad zijn definitieve besluit genomen en heeft dit meegedeeld aan de raad. De bestuurder is gemotiveerd en wel ingegaan op het negatieve OR-advies.
De OR stapt naar de Ondernemingskamer in Amsterdam, omdat het besluit over het laten vervallen van 12 arbeidsplaatsen niet op de goede manier genomen is.
Oordeel van de Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer (OK) stelt vast dat er inderdaad sprake is van een adviesplichtig besluit. De onderneming(en) maken onderdeel uit van een internationaal concern. Het besluit om in Nederland arbeidsplaatsen te laten vervallen maakt onderdeel uit van een internationaal plan om de organisatie wereldwijd anders te organiseren. De invloed van de Nederlandse ondernemingen op dat besluit zal niet groot zijn geweest, maar dat betekent niet dat die ondernemingen in Nederland geen eigen beslisruimte hebben voor de besluiten om arbeidsplaatsen te laten vervallen. Volgens de OK moet de ondernemer het internationale besluit zelfstandig beoordelen en moet hij aan de ondernemingsraad inzicht geven in die belangenafweging. Het een-op-een uitvoeren van het internationale besluit zou op een onaanvaardbare manier afbreuk doen aan het Nederlandse stelstel van medezeggenschap.
Ook stelt de OK vast dat de OR vooral geïnformeerd is met algemene en geconsolideerde cijfers. In die cijfers zijn alle financiële gegevens van alle ondernemingen bij elkaar samengevoegd en is niet te achterhalen wat de bijdrage van – in dit geval – de Nederlandse ondernemingen zijn geweest. Op vragen van de OR over de Nederlandse situatie is – zowel mondeling als schriftelijk – nauwelijks ingegaan. Daardoor heeft de OR wezenlijke informatie over de Nederlandse ondernemingen niet ontvangen.
De OK stelt dan ook vast dat de informatievoorziening aan de OR onvoldoende is geweest en de bestuurder daarom niet in redelijkheid tot het besluit gekomen is. Het verzoek van de OR om dat oordeel uit te spreken worden dan ook toegewezen.
Gevolgen van het OK-oordeel
Vanwege het grotendeels pauzeren van de lopende beëindigingsgesprekken met medewerkers zijn de al uitgevoerde handelingen beperkt. Bovendien kunnen de door de Ondernemingskamer te treffen voorzieningen door derden verworven rechten niet aantasten. De besluiten voor medewerkers van wie de arbeidsovereenkomst al door middel van een vaststellingsovereenkomst is beëindigd worden dus niet teruggedraaid.
Commentaar
Het is de ondernemer die zelfstandig zorg dient te dragen voor een juiste informatievoorziening aan de ondernemingsraad. Wettelijk gezien start elke adviesaanvraag met een vooraankondiging daarvan in een overlegvergadering over de algemene gang van zaken. Op de manier kan de OR zich voorbereiden op de procedure, maar kan in dat overleg ook worden afgesproken hoe de OR betrokken wordt bij het ontwikkelen van de plannen en daarmee invloed heeft op het te nemen besluit.
In dit geval speelt ook mee dat de werkelijke besluiten op internationaal niveau genomen zijn, maar dat deze besluiten de Nederlandse bestuurder worden toegerekend. Die is vervolgens verantwoordelijk voor een deugdelijke adviesprocedure waarvoor ook de benodigde informatie moet worden aangeleverd. In deze casus is die informatie niet juist en volledig gegeven.
- Zelf de uitspraak van de Ondernemingskamer lezen? Klik hier
- Juridische ondersteuning nodig bij adviesprocedures? Stuur een e-mail
- Als OR aan de slag met een adviesaanvraag? Stuur een e-mail
