Skip to content
Home / Organisaties / Sterkere positie werknemers en OR bij doorstart onderneming

Sterkere positie werknemers en OR bij doorstart onderneming

Een wetsvoorstel van de ministers Dekker (voor Rechtsbescherming) en Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) moet er voor zorgen dat alle werknemers van een failliete onderneming na een doorstart in principe onder dezelfde arbeidsvoorwaarden in dienst komen bij de nieuwe eigenaar. Daarmee wordt de positie van het personeel bij een pre-pack beter geregeld. Ook de bevoegdheden van de ondernemingsraad bij een doorstart maken onderdeel uit van het wetsvoorstel ‘Wet overgang van onderneming in faillissement’.

Het wetsvoorstel heeft rechtstreeks te maken met een uitspraak van het Europese Hof in 2017 dat een pre-pack gezien moet worden als een overgang van onderneming waarop de Wet overgang van onderneming (Woo) van toepassing zou moeten zijn. Op grond van de Woo behoudt het personeel alle rechten en emolumenten en gaan ze van rechtswege over naar de nieuwe onderneming. Daarmee wordt een doorstart in sommige gevallen onmogelijk omdat de nieuwe ondernemer met aanzienlijke overnamekosten voor het personeel te maken krijgt.
Door het wetsvoorstel krijgen werknemers een duidelijkere positie en weten potentiële kopers wat er aan personeelslasten te betalen valt. Bij een doorstart zal er zo min mogelijk verlies aan werkgelegenheid optreden en daar is het personeel bij gebaat. Het wetsvoorstel regelt ook dat werknemers voor wie er na de doorstart toch geen plek is, niet door een concurrentiebeding beperkt worden om ergens anders aan de slag te gaan.

Rol van de medezeggenschap

Het wetsvoorstel regelt het adviesrecht voor de ondernemingsraad bij een doorstart, waarbij de OR en PVT de gelegenheid moeten krijgen om advies uit te brengen over een voorgenomen besluit van de curator. Artikel 25 van de WOR zal dan worden uitgebreid met een lid ‘In afwijking van de voorgaande leden wordt de ondernemingsraad door de curator, bedoeld in artikel 68, eerste lid, Faillissementswet, in de gelegenheid gesteld overeenkomstig het tweede en derde lid, het vierde lid, eerste volzin, en het vijfde lid een schriftelijk en met redenen omkleed advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid dat noodzakelijk is om de onderneming in faillissement te kunnen voortzetten of een door hem voorgenomen besluit tot overgang van een onderneming die tot de boedel behoort als bedoeld in artikel 666 lid 2 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek te kunnen realiseren. De ondernemingsraad krijgt daartoe de gelegenheid binnen een door de curator te bepalen termijn. Deze termijn is in ieder geval niet korter dan drie dagen. Het vierde lid, tweede volzin, en het zesde lid zijn niet van toepassing.’

Er wordt in het beroepsrecht van de OR t.a.v. het adviesrecht in artikel 26 van de WOR ook een tekst toegevoegd: ‘Dit artikel is niet van toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 25, zevende lid’. Dat betekent dat de OR niet bij de Ondernemingskamer in beroep kan voor een besluit dat in artikel 25 wordt opgenomen over het adviesrecht van de OR bij faillissement. Daar staat tegenover dat de OR wel gebruik kan maken van artikel 67, vierde lid van de Faillissementswet (FW) om bij de rechtbank in beroep gaan tegen de beslissing van de rechter-commissaris waarbij deze toestemming heeft verleend voor de voortzetting van de onderneming of de onderhandse verkoop die leidt tot een overgang van de onderneming.

Ook wordt een onderdeel toegevoegd aan artikel 31: ‘Artikel 31g

  1. Als de ondernemer surseance van betaling aanvraagt of een eigen aangifte tot faillietverklaring indient als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, en 214, eerste lid, van de Faillissementswet, zendt hij een afschrift van de aanvraag of de aangifte die hij bij de rechtbank zal indienen aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. De ondernemer voegt een kopie van dit afschrift als bijlage bij zijn aanvraag of eigen aangifte.
  2. Als door één of meer schuldeisers jegens de ondernemer een verzoek tot faillietverklaring is ingediend en de ondernemer voorziet dat het aannemelijk is dat de rechtbank hem in staat van faillissement zal verklaren, zendt hij de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging onverwijld een afschrift van dit verzoek.
  3. De ondernemer kan terzake van de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, overeenkomstig artikel 20, eerste lid, geheimhouding opleggen’.

De internetconsultatie loopt tot 31-8-2019.

  • Meer informatie over het wetsvoorstel en memorie van toelichting? Klik hier
Scroll To Top