Adviesrecht OR bij benoeming tijdelijke bestuurder

De ondernemingsraad van een sociale werkvoorzieningsorganisatie wordt niet om advies gevraagd op het moment dat door de Raad van Commissarissen (RvC) een tijdelijke bestuurder wordt benoemd. De OR is het niet met die benoeming eens en stapt naar de kantonrechter. Een adviesaanvraag had wel gemoeten, zo oordeelde de kantonrechter, maar deze bestuurder mag toch zijn werk afmaken.
 
Het rommelt al lang in deze organisatie. Er wordt begin 2016 een bestuurder benoemt. De OR kreeg toen wel een adviesaanvraag en adviseerde negatief. Artikel 30 van de WOR verplicht de ondernemer om aan de OR advies te vragen over ontslag of benoeming van de WOR-bestuurder. Er is in dat geval sprake van een z.g. zwakadviesrecht, omdat de ondernemingsraad geen mogelijkheden heeft om bij kantonrechter of Ondernemingskamer in beroep te gaan als het advies niet door de ondernemer wordt overgenomen. 
Als deze bestuurder zich na een maand of zes – en de nodige conflicten – arbeidsongeschikt meldt, wordt door de RvC een interim-bestuurder aangesteld. Dit keer zonder een formele adviesprocedure met de ondernemingsraad te doorlopen. Daarop stapt de OR naar de kantonrechter om die te laten verklaren dat de OR om advies gevraagd had moeten worden en om – met oplegging van een dwangsom van € 10.000 per dag – de benoeming van deze interim-bestuurder in te trekken.
 
Er wordt wel iets van een procedure gevolgd door RvC en OR voor deze interim-bestuurder, maar feitelijk wordt de OR geconfronteerd met een door de RvC gevonden ‘passende kandidaat’ en wordt die zonder advies af te wachten benoemd. Volgens de RvC is het adviesrecht uit artikel 30 niet van toepassing, omdat hij niet als bestuurder wordt aangesteld, maar ‘tijdelijk met het bestuur wordt belast’.
De kantonrechter vindt echter dat – ook in dat geval – deze persoon degene is die met de hoogste dagelijkse leiding in het bedrijf wordt belast en daarmee is het adviesrecht uit artikel 30 van de WOR wél van toepassing. De OR krijgt op dit punt van de kantonrechter gelijk. 
De interim-bestuurder mag zijn werk wel afmaken van de kantonrechter. Het niet vragen van advies is een onvoldoende reden om de benoeming niet rechtsgeldig te verklaren. De kantonrechter kan op grond van artikel 36 lid 2 WOR alleen bepalen dat de RvC gevolg dient te geven aan hetgeen in de WOR is bepaald, maar een dergelijk verzoek is in deze procedure niet door de OR gedaan.
 
Samengevat: ook op de benoeming van tijdelijke bestuurders is het adviesrecht uit artikel 30 van toepassing. En bij een eventuele procedure bij de kantonrechter is het van belang dat de OR op de juiste formele gronden een verzoek indient. Idealiter wordt de ondernemingsraad tijdig betrokken bij de werving en selectie van een nieuwe bestuurder. Op die manier kan de OR zelf met een eigen profielvoorstel komen en op die manier invloed hebben op de benoeming van hun nieuwe overlegpartner.
 
Zelf de uitspraak lezen? Klik hier
 
Als OR aan de slag met het adviseren over een nieuwe bestuurder? Klik hier