Al lang geen OR-lid meer – toch nog ontslagbescherming

De Hoge Raad heeft in een uitspraak ontslagbescherming toekend aan een voormalig OR-lid. Feitelijk was in dit geval al geruime tijd van een rechtsgeldig functionerende ondernemingsraad geen sprake meer. Desalniettemin vindt de Raad dat de ontslagbescherming voor deze medewerker toch van toepassing is.
 
De medewerker is in 2000 lid geworden van de OR van een bouwbedrijf. In maart 2009 heeft de ondernemer aan de OR advies gevraagd over een voorgenomen besluit tot reorganisatie. In zijn rol als OR-voorzitter heeft hij daarover met bestuurder en vakorganisaties overleg gevoerd. In december van dat jaar is voor deze medewerker bij het UWV toestemming gevraagd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft de opzegging vernietigd door een beroep te doen op de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek waarin de bescherming tegen opzegging voor leden van de ondernemingsraad is vastgelegd (artikel 7:670 jo. 7:670a BW). Het bedrijf stopt desondanks met het betalen van loon. 
 
Kantonrechter
De arbeidsovereenkomst wordt uiteindelijk met toestemming van de kantonrechter en het UWV per 30 juli 2010 voorwaardelijk opgezegd. De kantonrechter oordeelt dat werknemer de bescherming van artikel 7:670a BW toekomt en daarom de arbeidsovereenkomst pas op 30 juli 2010 is geëindigd. De ondernemer gaat in beroep bij het hof.
 
Hoger beroep bij het hof
Het hof vindt dat na 2003 de ondernemer de OR is blijven erkennen en behandelen als zijnde een OR en dat werknemer daar als voorzitter een rol in is blijven spelen. Van een rechtsgeldige OR is in die tijd feitelijk geen sprake door het gebrek aan kandidaten en het niet houden van periodieke verkiezingen. Het hof geeft de kantonrechter gelijk. Ook oordeelt het hof dat de opzegging kennelijk onredelijk was omdat ‘de passende arbeid’ van werknemer ‘nieuw bedongen arbeid’ was geworden. Daardoor is er niet goed afgespiegeld in het bepalen van de ontslagvolgorde. De ondernemer gaat in cassatie bij de Hoge Raad.
 
Hoge Raad
De Hoge Raad gaat uit van de artikelen 7:670 lid 4 en 7:670a lid 1 (oud) BW. Die kennen ontslagbescherming toe aan (onder meer) een werknemer die lid is van een ondernemingsraad, respectievelijk een werknemer die is geplaatst op een kandidatenlijst voor een ondernemingsraad of korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad. De grond van deze ontslagbescherming ligt in de bescherming van de betrokken werknemers tegen benadeling als gevolg van hun activiteiten in en voor de medezeggenschap en in het waarborgen van hun onafhankelijke positie die bij de uitoefening van deze taken. 
Het hof vindt dat de genoemde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing zijn als de desbetreffende ondernemingsraad niet in alle opzichten voldoet aan de eisen uit de WOR. De Hoge Raad is het met die afweging eens.
 
Conclusie
De bescherming tegen benadeling uit artikel 21 van de WOR en de daarin genoemde ontslagbescherming uit het Burgerlijk Wetboek moeten breder worden uitgelegd dan dat ze alleen van toepassing zijn op rechtsgeldig gekozen en samengestelde ondernemingsraden. Wanneer een ondernemer een niet langer rechtsgeldige OR blijft behandelen als een rechtsgeldige ondernemingsraad, bijvoorbeeld door overleg te hebben, adviesaanvragen of instemmingsverzoeken in te dienen, is de bescherming tegen benadeling en ontslagbescherming wel van toepassing.
Veel gedoe is te voorkomen door als ondernemingsraad te zorgen voor een rechtsgeldige samenstelling door middel van democratische verkiezingen. Daarbij dient de OR zich aan het eigen OR-reglement te houden.
 
Zelf de uitspraak van de Hoge Raad lezen? Klik hier