OR succesvol bij Ondernemingskamer

In een procedure bij de Ondernemingskamer (OK) in Amsterdam heeft de ondernemingsraad van Inventum het voor elkaar gekregen dat het besluit tot verplaatsing van spare parts business unit naar de Filipijnen moet worden teruggedraaid. De OR was het vooral te doen om de wijze waarop met de gevolgen voor het personeel is omgegaan.
 
In 2011 is een sociaal plan afgesproken tussen werkgever en bonden in verband met de verplaatsing van assemblage-activiteiten naar de Filipijnen. Het sociaal plan voorzag in een beëindigingvergoeding bij gedwongen ontslag (voor werknemers geboren na 1 januari 1950) op basis van de toen bestaande kantonrechtersformule (AxBxC) met C=l,5.
Eind maart 2015 is aan de OR advies gevraagd om ook de spare part business unit uit kostenoverwegingen naar een lagelonenland zoals de Filipijnen is te verplaatsen. Het voorgenomen besluit heeft gevolgen voor 17 functies die overbodig worden waarvan 6 werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, 3 werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en 8 uitzendkrachten.
De ondernemingsraad vraagt aan de ondernemer of het reeds afgelopen sociaal plan uit 2011 ook op deze reorganisatie – opnieuw – van toepassing kan worden verklaard. Dat is niet het geval. Met de bonden wordt overleg gevoerd over een ontslagregeling (Transitievergoeding x 2), maar die draaien op uiteindelijk niets uit. De Ondernemingskamer vindt dat de OR door de bestuurder op het verkeerde been is gezet, omdat er uiteindelijk een tot duidelijk mager aanbod (Transitievergoeding x 1,35) als “eerlijk en waardig pakket” is besloten. De ondernemer had bij de OR de indruk gewekt met een beter bod te komen, maar is bij de bonden met een lager bod gekomen dan aan de OR is voorgespiegeld (Kantonrechtersformule met C= 0,8).
Het is de ondernemer die verantwoordelijk is voor het medezeggenschapstraject bij adviesplichtige besluiten en het is dan ook de ondernemer die de OR correct had moeten informeren over de gang van zaken rondom de maatregelen en het overleg met de bonden om de personele gevolgen van het besluit op te vangen. 
Als de OR daarom negatief adviseert neemt de ondernemer alsnog het voorgenomen besluit en benut de OR de wachttijd uit artikel 26 – 2e lid van de WOR om bij de Ondernemingskamer beroep aan te tekenen. De OK stelt de OR in het gelijk en de ondernemer moet zijn besluit intrekken en terugdraaien, zoals de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. 
 
De uitspraak is niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.