Samenstelling GOR Rijk niet in orde

Op 12 januari 2016 deed het Gerechtshof in Den Haag in Hoger beroep een uitspraak over de totstandkoming van een groepsondernemingsraad (GOR) voor het Rijk. Een aantal ondernemingsraden van dienstonderdelen van het Ministerie van Veiligheid & Justitie (V&J) was in hoger beroep gegaan, nadat de kantonrechter in juli 2015 geen bezwaar had tegen de vorming van een Rijksbrede GOR. Het hof volgt voor een belangrijk deel de uitspraak van de kantonrechter, maar geeft de klagers op één punt volledig gelijk.
 
Op 22 mei 2015 heeft de Ministerraad besloten om een Rijksbrede GOR in te stellen voor 10 ministeries. Alleen het Ministerie van Defensie maakt daar geen onderdeel van uit. 
De medezeggenschap binnen de Rijksoverheid is omvangrijk en bevat zo’n 220 ondernemingsraden voor de ministeries en de daarbinnen opererende zelfstandige onderdelen. 
In het besluit van de Ministerraad is ook al een zetelverdeling van de GOR opgenomen. De ondernemingsraden van V&J vonden het besluit om de GOR in te stellen onrechtmatig en eveneens de daarbij behorende zetelverdeling. Ze willen dan ook dat het besluit wordt teruggedraaid door het nietig te verklaren. Als belangrijkste argumenten noemen ze dat het besluit onbevoegd genomen is en dat het instellen van de GOR niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet. Daarbij hebben ze ook aanmerkingen over de zetelverdeling en het voorlopig reglement, omdat het aantal fte’s als maatstaf is genomen in plaats van het aantal in de onderneming werkzame personen. Daardoor is er geen sprake van een representatieve afspiegeling van de onderliggende ondernemingsraden in de GOR.
 
De ondernemingsraden vinden dat het besluit om een GOR in te stellen niet op de juiste manier genomen is. In dit geval heeft de Ministerraad dat besluit genomen op initiatief van minister Blok voor Wonen en Rijksdienst. De OR-ren vinden dat alleen een minister bevoegd is om een ondernemingsraad voor zijn eigen ministerie in te stellen. Om een rechtsgeldige GOR voor het Rijk in te stellen zouden dan ook afzonderlijke besluiten van betrokken ministers nodig zijn, waarbij elke minister voor zijn eigen departement de medezeggenschapsstructuur aanpast, aldus de ondernemingsraden van V&J. 
Het hof is het met de ondernemingsraden eens, omdat besluiten van de Ministerraad een interne werking hebben tot ministers onder elkaar. Maar op 22 mei hebben de ministers ook – elk voor hun eigen departement – het besluit genomen ter uitvoering van het in de Ministerraad genomen besluit heeft tot instelling van de GOR Rijk. Volgens het hof is het besluit dan ook correct genomen en worden de OR-ren van V&J op dit punt in het ongelijk gesteld.
 
Goede toepassing van de WOR?
De ondernemingsraden van V&J vinden dat er geen sprake is van een goede toepassing van de wet, omdat ze van mening zijn dat de medezeggenschap moet plaats vinden daar waar de zeggenschap is geregeld. Voor de meeste onderwerpen zal dat niet de GOR Rijk zijn, omdat die niet alleen de ministeries betreffen, maar ook de onderliggende uitvoeringsorganisaties waarin zeer uiteenlopend werk wordt verricht. De Staat vindt dat er voldoende onderwerpen zijn – en in het verleden zijn geweest – die op centraal niveau van medezeggenschap kunnen worden voorzien en daarmee de instelling van een GOR Rijk rechtvaardigen.
Het Hof is het met de zienswijze van de Staat eens. De centrale behandeling van onderwerpen in de GOR Rijk laat ook ruimte voor medezeggenschap over lokale aangelegenheden door de onderliggende ondernemingsraden. Omdat er geen sprake is van een COR, maar van een GOR, is het geen probleem dat niet alle tot de Rijksoverheid behorende ‘ondernemingen’ in de GOR Rijk vertegenwoordigd zijn, aldus het Hof.
 
Voldoet de samenstelling van de GOR Rijk aan artikel 34 WOR?
De ondernemingsraden vinden dat er geen sprake is van een juiste samenstelling van de GOR Rijk. 
Artikel 34, zevende lid jo derde lid van de WOR bepaalt dat de verschillende groepen van de in de ondernemingen werkzame personen zo veel mogelijk in de GOR vertegenwoordigd moeten zijn. Uit de jurisprudentie en literatuur blijkt dat het niet puur moet gaan om deelname van de verschillende groepen, maar dat het vooral gaat om representativiteit. De zetelverdeling moet getalsmatig te verantwoorden zijn wil de medezeggenschap vanuit de verschillende groepen in de ondernemingen gewaarborgd zijn. 
Het Hof vindt dat artikel 34 van de WOR geen dwingende verplichting bevat tot een evenredige vertegenwoordiging, maar ook dat bij het samenstellen van de GOR Rijk niet volledig aan getalsverhouding van de diverse groepen van het te vertegenwoordigen personeel voorbij kan worden gegaan. 
Het Hof vindt dat met de getalsverhoudingen in het voorlopig reglement van de GOR Rijk onvoldoende rekening is gehouden. En het Hof vindt ook de rekenmethode met de fte’s onjuist voor het bepalen van de zetelverdeling. Daarvoor moet het aantal in de onderneming werkzame personen gebruikt worden. Zo correspondeert één zetel voor het kleine Ministerie van Algemene Zaken met ca. 190 personeelsleden, terwijl één zetel van Veiligheid en Justitie een achterban kent van ca. 7.555 personeelsleden per zetel. Het hof vindt dat de huidige samenstelling van de GOR Rijk in onvoldoende mate tegemoetkomt aan bedoelde representativiteit uit artikel 34 van de WOR.
 
Uitspraak
Het Hof oordeelt dat de Staat het inmiddels vastgestelde definitief reglement voor de GOR Rijk binnen één jaar op het punt van de samenstelling moet aanpassen, zodat er van een juiste toepassing van artikel 34 van de WOR sprake is. 
 
Zelf de uitspraak van het Gerechtshof lezen? Klik hier