Kantonrechter bemoeit zich met faciliteitenregeling OR

De ondernemingsraad van een regionaal opleidingscentrum (ROC) komt met zijn bestuurder niet uit over een vast te stellen urenfaciliteitenregeling voor de ondernemingsraad. Uiteindelijk is het de kantonrechter die daarover de knoop moet doorhakken. Hoe hoort zo’n faciliteitenregeling eigenlijk tot stand te komen?
 
De situatie
In het ROC is vanaf 2011 een ondernemingsraad van 15 leden ingesteld. Daarvoor was er nog sprake van een in het onderwijs gebruikelijke medezeggenschapsraad (MR). Destijds had deze MR – op basis van de cao BVE – recht op 0,35% van de personeelsbezetting aan urenfaciliteit voor de medezeggenschap. Na 2011 is deze bepaling uit de cao verdwenen en kan de OR een beroep doen op de artikelen 17 en 18 uit de Wet op de ondernemingsraden voor het bepalen van de faciliteiten.
Er is destijds een overgangsregeling afgesproken tussen de werkgeversvereniging en de vakorganisaties, waardoor de nieuwgekozen ondernemingsraden voor de duur van een jaar nog aanspraak konden maken op de oude 0,35%-regeling en de opdracht om als ondernemer en ondernemingsraad op basis van artikel 17 en 18 tot het bepalen van de noodzakelijke uren voor onderling beraad, overlegvergaderingen en eventuele OR-commissies en overige OR-activiteiten.
Als beide partijen er niet uitkomen – bijvoorbeeld omdat de werkgever van mening is dat het met minder toe kan dan de 0,35% –  dan kan door de OR het geschil aan de kantonrechter worden voorgelegd.
Daaraan voorafgaand is er door een bemiddelaar een voorstel gemaakt om vanaf een uitgangssituatie van 5,6 fte stapsgewijs in drie jaar ieder jaar het urenbudget met 10% te verminderen. Dat voorstel heeft de OR destijds verworpen. Vervolgens is het meningsverschil voor bemiddeling en advies aan de bedrijfscommissie Markt II voorgelegd. Die stelt vast dat de omvang van de medezeggenschap na de overgang van MR naar OR niet minder is geworden, maar doet uiteindelijk alleen een aanbeveling om beide partijen aan het eind van de zittingsperiode te laten bekijken hoeveel tijd het OR-werk daadwerkelijk heeft gekost, maar ziet het niet als taak om zelf een harde uitspraak te doen over de benodigde hoeveelheid uren.
Het ROC heeft vervolgens eenzijdig het urenbudget voor de OR op 4,5 fte vastgesteld, maar wel met de beschikking van een ambtelijk secretaris.
De OR stapt vervolgens naar de kantonrechter en wil dat die de faciliteitenregeling met ingang van schooljaar 2015/2016 vaststelt op 6,1 fte. Ze geven daarbij een onderbouwing die moet aantonen dat de geboden 4,5 fte van de bestuurder onvoldoende is.
Het ROC betoogt dat de financiële middelen in het onderwijs schaars zijn en dat die vooral bedoeld zijn voor onderwijs. 
 
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter stelt vast dat het geschil draait om het urenbudget van de ondernemingsraad om daarbinnen hun medezeggenschapstaken te kunnen uitvoeren. Daarmee draait het verzoek van de OR om de toepassing van artikel 18 (aantal uren dat de leden van de OR op jaarbasis in werktijd en met behoud van loon aan hun medezeggenschapswerk kunnen besteden) van de WOR en wordt artikel 17 buiten beschouwing gelaten. Uitgangspunt van artikel 18 is dat OR en ondernemer de benodigde uren daarvoor gezamenlijk vaststellen. De kantonrechter had kunnen volstaan met het oordeel dat de ondernemer opnieuw met de OR tot een vergelijk moet zien te komen en er geen eenzijdige regeling kan worden vastgesteld. Dat doet de rechter echter niet, vooral omdat er al uitgebreid onderhandeld is, er ook al een bemiddelaar actief is geweest en bemiddeling en advies van de bedrijfscommissie is gevraagd.
Volgens de kantonrechter draait het om de vraag hoeveel uren er daadwerkelijk nodig zijn. De overgangsregeling met 0,35% is niet langer van toepassing en kan niet benut worden voor de bepaling van de benodigde uren.
Ondernemer en OR zijn het wel eens over het feit dat de in de WOR genoemde 60 uur voor overige OR-werkzaamheden en 3 tot 8 dagen per jaar voor scholing en vorming onvoldoende zijn.
De rechter gaat ervan uit dat zijn uitspraak ergens tussen de 4,5 fte + ambtelijk secretaris (bod ondernemer) en de 6,1 fte (eis OR) moet liggen, dat vormt de bandbreedte waarbinnen zijn uitspraak moet vallen.
Onenigheid tussen ondernemer en OR blijft er over de Praktijkanalyse die is gemaakt. De kantonrechter stelt vast dat er een aanzienlijke hoeveelheid uren is gestoken in het voorbereiden van initiatiefvoorstellen en het overleg met de Raad van Toezicht. Hij ziet dat de OR het vaststellen van het aantal uren door de OR wordt gezien als een onderhandelingsproces en niet als een – op gemeenschappelijke uitgangspunten gebaseerde – overeenstemming. Hij vermoedt dat de OR zich bij de claim van 6,1 fte heeft laten leiden door de uitspraak van de bedrijfscommissie dat de stelselwijziging van MR naar OR niet tot minder MZ-werk heeft geleid. De uitspraak van de bedrijfscommissie wordt door de rechter niet als bruikbaar gezien, omdat de commissie geen onderscheid maakt tussen activiteiten met een wettelijke grondslag en activiteiten die de OR zelf tot zijn verantwoordelijkheid rekent.
Uiteindelijk hakt de kantonrechter de knoop door en bepaalt dat bepaalt dat ROC gevolg dient te geven aan artikel 18 van de WOR door aan de OR vanaf het schooljaar 2016/2017 een urenbudget in de faciliteitenregeling ter beschikking te stellen van 5,0 fte. Deze norm zal gelden totdat de OR en ROC gezamenlijk een ander budget zullen hebben vastgesteld. De uitspraak is meer dan het ROC had geboden en minder dan de OR had gevraagd. Wat dat betreft heeft de kantonrechter binnen de bandbreedte besloten.
 
Zelf de uitspraak lezen? Klik hier
 

1 reactie

  1. 2epinions op 22 juni 2022 om 03:30

    1bulgarian