Van meer dan dertig ondernemingsraden naar één

Na een reorganisatie van de gemeente wil die de medezeggenschapsstructuur daarop laten aansluiten. Dat heeft forse gevolgen, want er verdwijnen ruim 30 ondernemingsraden om daarvoor in de plaats nog maar één OR in te stellen. Enkele ondernemingsraden zijn het daar niet mee eens en stappen naar de kantonrechter.
 
Centrale vraag in de procedure bij de kantonrechter is of door het instellen (en het laten vervallen van meer dan 30 ondernemingsraden) van één ondernemingsraad uitvoering wordt gegeven aan een goede toepassing van de wet. De gemeente had eerst voor bijna alle diensten en stadsdelen ondernemingsraden ingesteld. Na een centralisatieproces waarin de decentrale organisatie werd opgedoekt wilde gemeente nog maar één ondernemingsraad van 25 leden en onderdeelcommissies (OC’s) voor de verschillende stadsdelen. De betrokken ondernemingsraden vonden dat medezeggenschap in de vorm van ondernemingsraden op het niveau van de resultaatsverantwoordelijke eenheden (Rve’s) en stadsdelen, van groepsondernemingsraden op het niveau van clusters en van een centrale ondernemingsraad (COR) op centraal niveau, het meest bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR. 
 
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter bepaalt als eerste in welke mate er sprake is van ondernemingen binnen de gemeente, omdat de WOR voorschrijft dat voor ondernemingen een ondernemingsraad moet worden ingesteld. In dit geval oordeelt de kantonrechter dat de nieuwe organisatieonderdelen niet als onderneming aangemerkt kunnen worden. Dat komt omdat ze niet langer als zelfstandige onderdelen naar buiten treden (één van de voorwaarden om als onderneming gezien te worden). Er is nog maar één website en de afzonderlijke clusters hebben geen eigen begroting en de Rve’s hebben geen zelfstandige bevoegdheden t.a.v. adviesplichtige, instemmingsplichtige of overeenstemmingsplichtige besluiten. De kantonrechter vindt dat er op decentraal niveau geen sprake is van ondernemingen binnen de gemeente.
Dat hoeft niet te betekenen dat niet voor deze onderdelen een ondernemingsraad moet worden ingesteld. De WOR laat daarvoor zeker ruimte, vooral omdat het ook de bedoeling is dat de medezeggenschap zo laag mogelijk in de organisatie wordt ingesteld.
De kantonrechter kijkt in dit geval vooral naar de onderwerpen die deze ene OR moet gaan behandelen. Dat zijn voor het merendeel onderdeel overstijgende aangelegenheden die daarom niet in aanmerking zouden komen voor behandeling door een Rve-OR. Daar waar een onderwerp alleen betrekking heeft op een Rve kan dit door de Onderdeelcommissie van de betreffende Rve worden behandeld. Ook zal de gemeente bij grotere thema’s de OC’s betrekken, zodat de werklast voor de OR te overzien blijft. De aanwezigheid van een kenniscentrum voor de OR levert daar ook een bijdrage aan.
Samengevat: de kantonrechter wijst de verzoeken van de ondernemingsraden af, omdat hij vindt dat met het instellen van één OR en diverse OC’s voor de verschillende onderdelen sprake is van een goede toepassing van de WOR. 
 
De WOR laat veel ruimte bij het inrichten van de medezeggenschap ná een reorganisatie. Een paar principes blijven daarbij belangrijk. Zo moet de medezeggenschap georganiseerd worden tegenover de zeggenschap, zodat met diegene overlegd kan worden die daadwerkelijk de hoogste dagelijkse leiding in de organisatie heeft. Tegelijkertijd moet er ook naar gestreefd worden om die medezeggenschap zo laag mogelijk in de organisatie te beleggen. Dat is dus af ten toe met elkaar in tegenspraak.  
 
De uitspraak is (nog) niet gepubliceerd (zaaknummer 4020902 EA VERZ 15-349).