Instelling COR tegen de zin van GOR

Als een gemeente besluit om – ter vervanging van een gemeenschappelijke ondernemingsraad (GOR) en een ‘losse’ OR een Centrale ondernemingsraad (COR) in te stellen, is een aantal betrokken ondernemingsraden het niet eens met die instelling en vooral met de zetelverdeling. Dat draait uit op een procedure bij de Kantonrechter en vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof. 
 
In het geschil draait het onder meer om de vraag of het instellen van een COR – in plaats van een goed werkende MZ-constructie met een GOR én een OR voor een groep bedrijven – daadwerkelijk bijdraagt aan een goede toepassing van de wet. Daarnaast is er een verschil van mening over de zetelverdeling in die COR. 
De Ondernemingsraad die nu niet in de GOR betrokken is zou daarin één zetel krijgen. Volgens de medezeggenschap was er door die verdeling geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging in de COR.
 
Het hof oordeelt dat het besluit van de gemeente om een COR in te stellen nietig is. Daarvoor werden onder meer de volgende argumenten aangedragen:
  • De instelling van de COR heeft geen meerwaarde ten opzichte van het systeem met de GOR en losse OR waaronder een samengevoegde groep bedrijven viel.
  • Het hof heeft de parlementaire geschiedenis van GOR en COR in de uitspraak betrokken. Daarin staat onder meer dat ‘de centrale ondernemingsraad taken moet kunnen uitoefenen die door de afzonderlijke ondernemingsraden niet of niet effectief genoeg kunnen worden vervuld.’ In dit geval is de ondernemingsraad van de groep bedrijven prima in staat om dat zelf te doen en zou daarom een COR niet nodig zijn. Volgens het hof is er sprake van een effectief systeem voor de medezeggenschap.
  • De beoogde zetelverdeling kan ook geen goedkeuring van het hof krijgen. Vastgesteld wordt dat de achterban van de groep bedrijven groter is dan die van de vijf ondernemingsraden in de GOR bij elkaar. Met maar één zetel in de COR voor die meerderheid van het personeel is er sprake van een onevenredige zetelverdeling. Er wordt weliswaar door de gemeente betoogd dat in artikel 34 van de WOR geen dwingende verplichting is opgenomen om in de COR een evenredige vertegenwoordiging van het personeel te hebben. Het hof vindt dat het reglement een goede toepassing van de wet niet in de weg mag staan en verwijst naar artikel 34 lid 3, dat het reglement “voorzieningen (bevat) dat de verschillende groeperingen van de in de betrokken ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk in de centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn”.
 
De gemeente moet de instelling van de COR stoppen en reeds verrichte handelingen terugdraaien.
 
Zelf de uitspraak van het Gerechtshof lezen? Klik hier
 

2 reacties

  1. 1technology op 22 juni 2022 om 14:31

    2smilies



  2. 3boredom op 4 juli 2022 om 17:07

    3resonant