Bestuurder krijgt geen vervangende instemming van kantonrechter

Als een ondernemingsraad niet instemt met een gewijzigde pensioenregeling stapt de bestuurder naar de kantonrechter om vervangende instemming te krijgen, zodat zijn voorgestelde regeling alsnog kan worden ingevoerd. Daar werkt de kantonrechter echter niet aan mee.
 
De gemeenschappelijke ondernemingsraad van een bedrijf in medische en orthopedische producten stemt niet in met een voorstel van de bestuurder voor het wijzigen van de pensioenregeling. Onderdeel van de voorstellen was een compensatieregeling. De ondernemingsraad wilde een andere oplossing dan de bestuurder voor dit vraagstuk. Voor de OR was het van belang dat de regeling op basis van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ zou worden afgesproken. En dat omdat er voor het personeel juist verschillende compensatieregelingen werden voorgesteld was dan ook een belangrijke reden om niet met het uiteindelijke voorstel in te stemmen.
 
Kantonrechter
De bestuurder kan – op basis van artikel 27 – 4e lid – vervangende instemming vragen aan de kantonrechter. Die zal die instemming geven als de ondernemingsraad onredelijk was of er zwaarwegende organisatie-, financiële of bedrijfssociale belangen in het geding zijn. In dit geval vond de bestuurder dat de OR sowieso niets over de compensatieregeling te zeggen had omdat het niet instemmingsplichtig zou zijn, maar hij had het wel als onderdeel van het instemmingsverzoek aan de OR voorgelegd. De kantonrechter veegde daarom dat bezwaar van de bestuurder van tafel. 
De ondernemingsraad was wel akkoord met het pensioenvoorstel zelf als best haalbare oplossing, maar was het niet eens met de compensatieregeling. Als alternatief heeft de OR een aantal te bespreken varianten genoemd. De kantonrechter beoordeelde dit feit als een teken dat de OR niet onredelijk is geweest in het niet instemmen.
 
In het compensatieregelingsvoorstel van de bestuurder wordt onderscheid gemaakt tussen de werknemers die meer en die minder dan € 100.000 bruto verdienen. Voor de groep medewerkers die minder dan die ton verdienen zou de regeling een looptijd hebben van 5 jaar en voor de medewerkers boven de ton wordt een deel gecompenseerd tot aan einde dienstverband. De OR vond dat het personeel op dat vlak gelijk behandeld diende te worden. Ook hiervan heeft de kantonrechter gevonden dat de ondernemingsraad niet onredelijk is geweest in het niet akkoord gaan met dit onderscheid.
De kantonrechter maakt ook korte metten met de tijdsdruk als argument van de bestuurder dat daardoor zwaarwegende bedrijfseconomische, bedrijfsorganisatorische of bedrijfssociale redenen in het geding zijn. De bestuurder heeft onvoldoende kunnen aantonen dat daarvan sprake was. 
Slotconclusie van de kantonrechter: de bestuurder krijgt geen vervangende instemming. 
 
Zelf de uitspraak van de kantonrechter lezen? Klik hier