Vervangende instemming door kantonrechter

De ondernemingsraad van een reinigingsbedrijf stemt niet in met een voorstel van de ondernemer tot het invoeren van een zesdaagse werkweek. De ondernemer stapt daarop naar de kantonrechter om vervangende instemming te vragen. Maar krijgt hij die ook?
 
Het reinigingsbedrijf is een samenwerkingsverband van zes gemeenten en heeft in 2013 een verlies van drie miljoen Euro geleden. En volgens de verwachtingen voor 2014 draait ook dit jaar op een miljoenenverlies uit. 
Het bedrijf wil geld besparen door de werkweek uit te breiden naar zes dagen. Op die manier hoeft er op een aantal zaterdagen per jaar niet een overwerkvergoeding van 175 procent te worden betaald, maar een onregelmatigheidstoeslag van 140 procent. Ook hoeven er geen uitzendkrachten op die dagen te worden ingehuurd.
De OR stemt niet in met de voorstellen. Ze vinden het verplicht werken op zaterdag (voorheen was dat vrijwillig) niet in het belang van het personeel en zien andere manieren om te bezuinigen. Het bedrijf stapt daarom naar de kantonrechter om vervangende instemming te vragen.
 
Kantonrechter wikt en weegt
De kantonrechter heeft begrip voor het verweer van de OR tegen het verplicht op zaterdag werken, zodat medewerkers hun vrijheid op die dag verliezen. Maar hij weegt het bedrijfseconomische belang van de ondernemer zwaarder af dan het belang van het personeel. Ook ziet hij zwaarwegende bedrijfssociale redenen die de werkgever ondersteunen in zijn verzoek om vervangende instemming. Een besparing van € 130.000 is volgens de kantonrechter van belang om de verliezen zo veel mogelijk te beperken. De optie om alleen nieuw personeel te verplichten om ook op zaterdagen te werken levert onvoldoende besparingen op, omdat er weinig nieuw personeel zal worden aangenomen.
Ook het eerlijker verdelen van het werk onder de werknemers levert bedrijfssociale voordelen op. Eerder was de werkgever afhankelijk van medewerkers die vrijwillig de extra werkzaamheden op zaterdagen uitvoerden. 
Samenvattend: de werkgever is er afdoende in geslaagd om zijn bedrijfseconomische en -sociale belangen aan te tonen. Tegelijkertijd is er begrip voor de standpunten van de OR over de personele gevolgen van het besluit.
De kantonrechter weegt de belangen van de werkgever zwaarder en verleent daarom vervangende instemming.
 
Zelf de uitspraak lezen? Klik hier