Bestuurder mag zich niet verschuilen achter concernstrategie

‘Don’t shoot at me! I’m only the piano player’, ‘Ik krijg mijn opdrachten uit Amerika, dus kan ik er verder niets aan doen’. Zo redeneert een bestuurder van de Nederlandse dochteronderneming van een Amerikaans concern als een deel van de werkzaamheden naar het buitenland worden overgeplaatst.
De OR is het daar niet mee eens en stapt naar de Ondernemingskamer.
 
De Ondernemingsraad vindt dat het besluit slecht is voor het bedrijf  – en bovendien slecht gemotiveerd – om productie over te plaatsen naar Frankrijk. Bij het bedrijf werken 38 mensen. Een deel van de werkzaamheden is uitbesteed bij de sociale werkvoorziening. Eerst vraagt de ondernemer advies over verplaatsing van een deel van de activiteiten naar Frankrijk. Hij doet de toezegging dat andere werkzaamheden bij het bedrijf zullen blijven. Later komt hij daar in een nieuwe adviesaanvraag op terug. Daarop adviseert de OR negatief.
 
Wezenlijke invloed van de OR
De OR vindt dat de raad geen wezenlijke invloed op het besluit heeft gehad, omdat dit besluit door het moederbedrijf in Amerika is genomen. Daarboven op is de financiële onderbouwing niet deugdelijk en zijn de alternatieven van de OR niet onderzocht en niet gemotiveerd afgewezen.
De Ondernemingskamer (OK) vindt  dat de Nederlandse vestiging van een internationaal bedrijf bij het voorbereiden en het nemen van haar besluit zelfstandig het concernbelang dient af te wegen naast of tegen de overige belangen van de onderneming en dat die aan de ondernemingsraad inzicht behoort te geven in die belangenafweging. Bij die belangenafweging legt de concernstrategie gewicht in de schaal, maar die strategie is niet per definitie de doorslaggevende factor. En als de Nederlandse vestiging alleen maar de besluiten uit het buitenland zou moeten uitvoeren, dan doet dat op onaanvaardbare wijze afbreuk aan het Nederlandse stelsel van medezeggenschap.
 
De ondernemer probeert de OK te overtuigen van het feit dat hij wel degelijk een eigen belangenafweging heeft gemaakt, maar dat argument vindt geen gehoor. 
De OK verklaart het bezwaar van de OR dat er geen wezenlijke invloed mogelijk is geweest gegrond. Vooral omdat de bestuurder naast de concernbelangen niet de belangen van de Nederlandse vestiging heeft meegewogen in zijn voorgenomen besluit. Daardoor is aannemelijk dat het besluit op een hoger niveau in Amerika is genomen en de OR daar geen wezenlijke invloed op heeft gehad.
Ook uit deze uitspraak blijkt dat bestuurder zich niet mogen verschuilen achter besluiten die elders zijn genomen. Er moet een zelfstandige belangenafweging mogelijk zijn waarop de OR vervolgens kan adviseren.
 
Zelf de uitspraak van de Ondernemingskamer lezen? Klik hier